 |  |
"De verborgen tombe" roman auteur : Huub Pragt (foto) uitgave in eigen beheer, Hilversum 287 bl., € 19,90 ISBN 978-90-810474-2-5 www.deverborgentombe.nl
|
 |
De egyptoloog Huub Pragt presenteert met 'De verborgen tombe' zijn vlot geschreven debuutroman, waarin over de geschiedenis van het Oude Egypte wordt verteld aan de hand van belevenissen van een aantal moderne personen. Afwisselend worden gebeurtenissen rond 1000 voor Christus en in de twintigste eeuw beschreven. Het Egypte van rond 1000 voor Christus bestond in feite uit twee delen: de farao's die in het Noorden regeerden hadden alleen nominaal invloed in het zuidelijke deel van het land. Daar waren de hogepriesters van de Amon in Thebe (bij het huidige Luxor) de feitelijke machthebbers. In sommige gevallen gingen deze zelfs zo ver dat zij zich zelf op tempelmuren als farao lieten afbeelden. Ongeveer in dezelfde tijd liepen de graven van de farao's uit de voorafgaande bloeiperiode van Egypte (het Nieuwe Rijk met namen als Toetmosis, Amenhotep, Ramses en Toetanchamon) gevaar geplunderd te worden. In het verhaal van Pragt wordt deze situatie op een ingenieuze manier verwerkt, doordat de hogepriesters in Thebe in stilte de oude koningsgraven leegmaken en de mummies op een geheime plaats verbergen. Deze plaats is aan het einde van de 19e eeuw inderdaad in Der el-Bahri teruggevonden en daaraan danken we het dat we sommige van die mummies nu nog kunnen bewonderen in het Museum in Cairo.
In de roman van Pragt wordt de het leegmaken van de koningsgraven door de hogepriesters van Amon gekoppeld aan het maken van een eigen geheim graf, waarin de meeste kostbaarheden voor eigen gebruik worden ondergebracht. Het is deze verborgen tombe die inspireerde tot de titel van het boek. Het is verleidelijk te denken dat er zo'n nog onontdekt graf in of bij de Vallei der Koningen ligt, maar er zijn bij mijn weten geen concrete aanwijzingen voor. In het boek gaat een moderne egyptoloog uit Oxford, Kevin Savernake, op zoek naar dat graf, op basis van aanwijzingen die hij ontleent aan een papyrus uit de periode van de 21e dynastie. Samen met een paar anderen beleeft hij allerlei avonturen in Egypte, waarbij hij onder andere de familie Rasoel tegenkomt, die enige faam geniet als de ontdekkers van de bergplaats met de verplaatste koningsmummies. Omdat de schrijver zelf egyptoloog is, komt zijn reconstructie van de gebeurtenissen rond 1000 voor Christus geloofwaardig over. Daarbij spelen de beschrijvingen van voorwerpen, die gevonden zijn in de buurt van Thebe, maar ook van Tanis (waar de farao in het Noorden toen zijn thuisbasis had), een rol. Die voorwerpen bestaan inderdaad en zijn in verschillende musea terug te vinden.
Wat betreft de avonturen van de 20e-eeuwse personen is dat minder het geval. Daar zou men minder zwaar aan kunnen tillen, wanneer deze personen niet voor een deel namen dragen van bekende egyptologen uit deze tijd. (Deze techniek wordt overigens in de hedendaagse literatuur vaak gebruikt.) De schrijver neemt daar weliswaar in de inleiding afstand van, door te zeggen dat 'iedere gelijkenis van de romanfiguren met bestaande personen berust geheel op toeval', maar het werkt wel verwarrend. De namen van de oude Egyptenaren zijn misschien voor de lezer die niet ingevoerd is in de Egyptische cultuur lastig te volgen, zeker wanneer die namen afwisselend voluit en in een afgekorte vorm worden gebruikt. Het helpt wel dat op de (uitslaande) buitenflap een uitvoerige stamboom van de Thebaanse hogepriesters is opgenomen. Ook zijn kaarten van Egypte en de Thebaanse dodenstad weergegeven. Het zou aardig geweest zijn als (tenminste enkele van) de besproken kunstvoorwerpen ook als afbeelding in het boek zouden zijn opgenomen. Als we afzien van deze kleine bezwaren, kunnen we stellen dat de lezer door de gebeurtenissen wordt meegesleept en dat de nieuwsgierigheid naar de afloop tot het einde blijft.
Karel van Dam
|
|
 |  |